Direct contact? Bel 0511 451400

Mei 2018 Jannie in de spotlights

Mijn naam is Jannie Kussendrager. Ik heb de opleiding fysiotherapie gevolgd aan de Academie voor Fysiotherapie in Leeuwarden. Na de opleiding heb ik eerst in Jubbega gewerkt en sinds 1996 werk in Kollum. Eerst in loondienst, maar sinds 1998 maak ik deel uit van de maatschap, samen met Greetje en Peter. Met zijn drieën hebben we een prachtige praktijk met fijne medewerkers, waarmee we fysiotherapeutische zorg bieden aan mensen in de leeftijd van 0 ->100 jaar.

Ik ben geregistreerd kinderfysiotherapeut. Dat houdt in dat ik de post HBO studie tot Master kinderfysiotherapie gevolgd heb aan de Hoge School van Utrecht. Ik behandel en begeleid kinderen in de leeftijd van 0-16 jaar. Hierna heb ik veel cursussen gevolgd om me verder te verdiepen in de behandelmogelijkheden bij kinderen. Een paar voorbeelden hiervan zijn:

  • Cursussen op het gebied van de schrijfmotoriek
  • Medical taping bij kinderen
  • Functiestoornissen in de bekkenbodem bij kinderen (poep- en plasproblemen)
  • Voorkeurshoudingen : schedelmetingen en behandeling

Het behandelen van kinderen betekent meer dan het behandelen van het kind alleen. Er is een intensief contact met de ouders en anderen die om het kind heen staan. Te denken valt aan leerkrachten, intern begeleiders, orthopedagogen, (kinder-)artsen, consultatiebureau artsen, jeugdverpleegkundigen, schoolartsen etc. Dit maakt het werken met kinderen boeiend, je doet het met elkaar om het optimale resultaat te behalen.

Kinderen tot 2 jaar worden aan huis behandeld, waardoor ik veel onderweg ben. Ik kom bij veel mensen over de vloer en dat schept een bijzondere band. Veel voorkomende klachten of aandoeningen in deze leeftijdscategorie  zijn:

  • Voorkeurshouding (mogelijk met schedelafplatting)
  • Achterblijvende of afwijkende motorische ontwikkeling
  • Huilbaby’ s

Vanaf 2 jaar komen de kinderen op de praktijk met hun ouders. Veel voorkomende klachten bij peuters en kleuters zijn:

  • Loopstoornissen (tenenlopen, vreemde voetplaatsing)
  • Achterblijvende motorische ontwikkeling (moeite met klimmen, springen, rennen)
  • Onhandige motoriek (struikelen, moeite met kleuren, kleine knoopjes enz.)

Schoolkinderen kunnen ook klachten hebben:

  • Moeite met de fijne motoriek (schrijfproblemen, tekenen)
  • Stijf bewegingspatroon
  • Pijnklachten( bijv. aan voeten en knieën of de rug en nek)
  • Hoofdpijnklachten
  • Slaapproblemen
  • Poep- en plasproblemen
  • Overgewicht (hier hebben we een beweegprogramma voor: Big Fun 4 Kids)

Ik werk op de locaties aan De Anjen in Kollum, Schouttsraat in Grijpskerk en aan de Jod.Heeringastraat in Gorredijk.

De komende maand zal ik van elke leeftijdscategorie praktijkvoorbeelden geven.

 

Voorkeurshouding.

 

De meest voorkomende hulpvraag van ouders bij baby’s, is de vraag: hoe kunnen we bij een voorkeurshouding een afplatting voorkomen.

 

Wat is een voorkeurshouding?

Van een voorkeurshouding wordt gesproken wanneer een zuigeling meer dan 75% van de tijd naar een kant kijkt. Een voorkeurshouding bij zuigeling kan direct na de geboorte aanwezig zijn of wanneer de baby een aantal weken oud is ontstaan. Een voorkeurshouding komt de laatste jaren meer voor, omdat baby’s minder op hun buik worden gelegd ter voorkoming van wiegedood. Doordat baby’s dus de meeste tijd van de dag op hun rug liggen, is de kans groot dat de nog zachte schedel af gaat platten. De beweeglijkheid van de nek neemt af en spieren in de nek verkorten of worden door verminderd gebruik, minder sterk. De ernst hiervan varieert enorm. Bij de ene baby zie je dat het hoofd spontaan wel eens naar de niet voorkeurszijde gedraaid wordt, bij andere gevallen zie je dat het voor de baby onmogelijk is het hoofd naar de andere kant te draaien.

Er zijn 2 varianten in schedelafplattingen:

  • De plagiocephalie. Dit is de benaming voor een afplatting aan een zijde. Bij een voorkeurshouding naar rechts zal rechtsachter de afplatting ontstaan. Het gebeurt ook dat het rechter oor mee naar voren schuift en eventueel is het zelfs in het aangezicht te zien. Een oog is wat kleiner of de wangen zijn niet even groot.
  • De brachycephalie. Dit is de benaming voor een afplatting aan de achterkant. Het hoofd is dan behoorlijk breed en de baby heeft moeite om het hoofd helemaal te draaien met het wang aan de grond.

Wanneer er sprake is van een voorkeurshouding, zal in de meeste gevallen de arts op het consultatiebureau een verwijzing meegeven voor de kinderfysiotherapeut.

Wat doet de kinderfysiotherapeut daaraan?

Ik kom dan op huisbezoek en we doen eerst een uitgebreide intake met allerlei vragen m.b.t. de ontwikkeling tot nu toe en wat de ouders er zelf aan gedaan hebben. Dan volgt het lichamelijke onderzoek. Er wordt gekeken naar de beweeglijkheid van de nek en de spierkracht van de nekspieren. Bij een voorkeurshouding is er meestal sprake van asymmetrische nekspierkrachtontwikkeling, waardoor het hoofd niet in het midden gehouden kan worden. Ook wordt er naar de hele houding (hoe ligt de baby) gekeken en naar de heupen.

Tot slot wordt een schedelmeting gedaan: plagiocephalometrie. Hiermee stellen we de ernst van de afplatting vast. Deze meting wordt in het hele behandeltraject meestal 3x uitgevoerd om zo een verloop van de afplatting te krijgen.

Hoe ziet de behandeling eruit?

Er worden oefeningen aan de ouders uitgelegd om de beweeglijkheid van de nek en de kracht van de spieren te verbeteren. Dit wordt gedaan met speelse oefeningen  en speelgoedadvies die gemakkelijk uitvoerbaar zijn en in te passen zijn in het dagelijkse leven. Ook worden adviezen gegeven hoe de baby het best opgetild en neergelegd kan worden.

Ik kom in de meeste gevallen totdat de baby ongeveer 6 maanden is. Op dat moment doen we de eindmeting, welke een voorspellende waarde heeft hoe het hoofd eruit zal zien op de leeftijd van een jaar. Er wordt ook gekeken naar de kracht en beweeglijkheid van de nek en er wordt een motorische observatie gedaan om te kijken of de baby zich motorisch normaal ontwikkelt. Wanneer alles goed lijkt wordt de behandeling dan afgesloten. Ik ben dan ongeveer 8 keer geweest. De consultatiebureauarts, de ouders en de huisarts ontvangen een eindverslag van de behandeling.

De behandeling wordt vergoed door de zorgverzekeraar. Elk kind is, ongeachte de verzekering van de ouders, tot zijn 18e verjaardag vanuit de basisverzekering verzekerd voor kinderfysiotherapie.

 

Hieronder een aantal voorbeelden van een plagiocephalometriemeting.

 

 

Kinderfysiotherapeut Jannie Kussendrager vertelt over haar dagelijkse praktijk:

 

De volgende praktijkvoorbeelden gaan over 2 jongetjes in de leeftijd van ongeveer 2 jaar.

 

Jongetje 1, leeftijd 2 jaar en 7 maanden.

Hulpvraag moeder:

A loopt stijf en houterig, wat is er aan de hand en hoe kunnen we hem stimuleren dat hij wat meer durft en het er soepeler uit gaat zien.

Uit het eerste gesprek bleek dat A geboren is na een normale zwangerschap met een normaal geboortegewicht. Hij ontwikkelde zich een beetje traag. Hij liep los toen hij 23 maanden oud was. De spraakontwikkeling en de fijne motoriek ontwikkelt zich vlot en nu frustreert het A dat hij een aantal dingen lastig vindt: Klimmen, rennen, op een verhoging stappen.

Het onderzoek van een peuter bestaat uit een lichamelijk onderzoek en het afnemen van testen.

Bij A is een motorische test gedaan die past bij zijn leeftijd, de BSID. Deze test geeft een beoordeling van de fijne motoriek en de grove motoriek met een totaalscore. Ook wordt gekeken hoe een kind de taakjes uitvoert, de kwaliteit van bewegen.

Bij A bleek dat de fijne motoriek keurig op leeftijdsniveau was, maar de grove motoriek een achterstand had van 6 maanden. Hij had moeite met evenwichtssituaties en had veel steun aan zijn handen nodig als hij ergens opklom. Springen kon hij nog niet.

Daarna is gekeken waardoor die achterstand is ontstaan en A bleek een lage spierspanning te hebben en waardoor de angst voor evenwichtssituaties en moeite met kracht genereren verklaard kon worden.

We hebben 3 maanden wekelijks geoefend in de oefenzaal. A leerde om te gaan met evenwichtssituaties en hij ontwikkelde spierkracht. Zijn zelfvertrouwen verbeterde en hij ging steeds meer op onderzoek uit en zijn motoriek oefenen. Aan moeder zijn instructies gegeven hoe ze A kon stimuleren op een speelse manier. A had veel plezier in bewegen en hij probeerde zijn grenzen steeds wat te verleggen.

Na 3 maanden is de test herhaald en toen bleek dat A zijn achterstand op de grove motoriek helemaal had ingehaald. De therapie is toen gestopt en binnenkort zie ik hem weer om te kijken of de behaalde resultaten zijn behouden of uitgebouwd.

 

Ik krijg veel vragen over standen van voeten, knieën en heupen, struikelen en vermoeidheid. Het volgende voorbeeld is een jongetje 2, leeftijd 19 maanden.

Hulpvraag ouders: B struikelt erg veel, is er wat met zijn spieren of gewrichten?

Uit het eerste gesprek kwam naar voren dat B na een normale zwangerschap geboren is en een normale ontwikkeling doormaakte. Hij liep los toen hij 13 maanden was. Sindsdien struikelt hij erg veel, na elke 3 passen valt hij en dit is erger aan het eind van de ochtend of middag. Verder bleek uit het gesprek dat B de hele dag actief was en weinig rustmomenten had. Zijn ouders zijn ook de hele dag druk in de weer en geven B geen pauzes om even wat te drinken, fruit te eten en er was geen tijd om een boekje te lezen of een spelletje te doen.

 

Onderzoek: ook bij B is de BSID afgenomen en hij bleek de fijne motoriek op leeftijdsniveau te scoren, maar de Grove motoriek niet. Ook de totaalscore was aan de lage kant.

Bij het observeren van de motoriek bleek dat B vaak op de tenen liep, hij was druk in de weer met ballen en speelgoed dat hij onderweg tegenkwam. Er waren geen bijzonderheden bij het lichamelijke onderzoek: gewrichten en spierspanning normaal.

Aan de ouders is geadviseerd om gedurende de dag een aantal pauzemomenten in te lassen, waarin B tot rust kan komen. Er is dan even gerichte aandacht voor hem met wat fruit, drinken of een spelletje aan tafel. Dit zorgt dan voor meer rust en ontspanning. Het resultaat was dat B  na verloop van tijd niet meer op de tenen liep en hij struikelde minder vaak.

Uit deze voorbeelden blijkt dat niet alleen naar de lichamelijke kant van het kind gekeken wordt, maar ook naar de omstandigheden waar en hoe hij opgroeit.

Beide ouders worden meegenomen in de behandeling en hierdoor treedt er vlot een verandering op in het bewegingsbeeld van het kind.

Zoeken